Signaalrennen

Tijdens het rondrennen worden signalen gegeven:

  • 1x fluit: springen
  • 2x fluit: van richting veranderen
  • lange fluit: hurken en grond aanraken

In plaats van fluiten kun je ook woorden gebruiken: up, down, turn. Helemaal leuk om die te wisselen: up voor grond, down voor omdraaien en turn voor springen.

Extra opdracht: ‘go’: tik zo snel mogelijk degene die net voor je liep, ga daarna weer in cirkels lopen.